Officiele publicatie

Beleidsregels leerlingenvervoer Neerijnen 2016

Artikel 1 Afstand van huisadres naar school (artikel 1 sub b)

1.

De afstand tussen de woning en de school wordt bepaald met behulp van de ANWB routeplanner (www.anwb.nl), met als instelling ‘auto’ en via de ‘kortste route’.

2.

Voor de beoordeling voor een toekenning van een fietsvergoeding wordt gebruik gemaakt van de ANWB routeplanner (www.anwb.nl), met als instelling ‘fiets’ en via de ‘kortste route’.

3.

Bij het berekenen van de afstand wordt geen rekening gehouden met wegwerkzaamheden, omleidingen e.d.

Artikel 2 Opstap- en uitstapplaatsen (artikel 1 sub k)

1.

Indien dit voor de gemeente lagere kosten geeft, wordt gebruik gemaakt van opstapplaatsen en uitstapplaatsen voor de leerlingen. Bij voorkeur zijn dit bestaande bushaltes op maximaal 1.500 meter lopen van de woning van het kind. Dit geldt niet voor rolstoel gebonden leerlingen.

2.

De ouders/verzorgers zijn verantwoordelijk voor de begeleiding van en naar de opstap- en uitstapplaats.

Artikel 3 Dichtstbijzijnde toegankelijke school (artikel 1 sub p, q en 3)

1.

Een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de soort die de leerling nodig heeft en de gewenste richting.

2.

Voor de bepaling van een passende schoolsoort wordt uitgegaan van de toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband of de toelating van de leerling op een cluster 1 of 2 school.

3.

Wanneer niet de dichtstbijzijnde school wordt bezocht en dit voor de gemeente extra kosten geeft, kan voor deze extra kosten geen vergoeding worden verstrekt aan de ouders/verzorgers, tenzij aan onderstaande criteria wordt voldaan:

  • -
    Wanneer de leerling vanwege een wachtlijst bij de dichtstbijzijnde school naar een verder weg gelegen school vervoerd moet worden, worden de volledige vervoerskosten vergoed tot het moment de leerling bij de eerste school geplaatst kan worden. Er wordt dan een tijdelijke beschikking afgegeven naar de verder weg gelegen school.
  • -
    Bij verhuizing in het laatste of voorlaatste jaar op school, kan een leerling op de ‘oude’ school blijven als de afstand tussen de ‘oude’ school en dichtstbijzijnde school niet meer bedraagt dan 10 km extra.

In andere voorkomende situaties wordt als volgt gehandeld:

  • a.
    Onderwijs voor hoogbegaafden
    Binnen het regulier onderwijs dient ook voor hoogbegaafde leerlingen een passend onderwijsaanbod gegeven te worden. Een belangrijk criterium voor het verstrekken van een vervoersvoorziening is dat deze slechts wordt aangeboden naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
    • 1.
      Aanvragen naar specifieke scholen voor hoogbegaafden worden in beginsel afgewezen; ouders dienen te onderbouwen dat alle dichterbij gelegen scholen niet toegankelijk zijn voor de leerling.
    • 2.
      Aanvragen naar scholen die werken met “plusklassen” worden niet gehonoreerd voor leerlingenvervoer.
  • b.
    Vervoer naar schakelklas
    Een schakelklas is een vorm van regulier basisonderwijs waarbij nieuwkomers (kinderen die geen Nederlands spreken) ondergedompeld worden in de Nederlandse taal.
    • 1.
      Vervoer naar een schakelklas is alleen mogelijk voor leerlingen in het primair onderwijs en wordt voor maximaal één jaar toegekend. De afstand van de woning naar de schakelklas moet meer dan 6 kilometer zijn.
    • 2.
      Het samenwerkingsverband dient schriftelijk de noodzaak voor een tijdelijke deelname aan een schakelklas te beargumenteren èn dat de dichtstbijzijnde toegankelijke school niet in de onderwijsbehoefte voor de leerling kan voorzien.
    • 3.
      Leerlingen in het voortgezet onderwijs, waarbij de dichtstbijzijnde middelbare school aangeeft dat het taalniveau van de leerling onvoldoende is en dat de toegang tot een internationale schakelklas noodzakelijk is, komen niet in aanmerking voor bekostiging van het leerlingenvervoer.
    • 4.
      Leerlingen van een AZC komen niet in aanmerking voor het leerlingenvervoer omdat zij (taal) onderwijs krijgen op het terrein van het AZC.

Artikel 4 Vaststellen van de reistijd (artikel 1 sub n, 12 en 18)

1.

Het vaststellen van de reistijd met het openbaar vervoer vindt plaats op basis van de door de Reisinformatiegroep B.V. beschikbaar gestelde informatie, www.9292ov.nl Daarbij wordt uitgegaan van de adressen van de woning en de school.

2.

Voor het vaststellen van de reistijd met aangepast vervoer (taxi) wordt de vervoerder geraadpleegd.

Artikel 5 Stagevervoer ( artikel 1 sub p en 3)

1.

Stage valt onder het leerlingenvervoer, wanneer dit een onderdeel is van het onderwijsprogramma en opgenomen staat in de schoolgids. Leerlingen lopen stage om zich voor te bereiden op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Met dit als achtergrond wordt van de leerling, de ouders/verzorgers, maar ook van de school verwacht dat de maximaal mogelijke zelfstandigheid in het reizen naar het stageadres wordt nagestreefd.

2.

Een verzoek om vervoer moet vergezeld gaan van een stage-overeenkomst. De school dient te zoeken naar een stageplaats zo dicht mogelijk bij de woning of op de route tussen woning en school. Wanneer hiervan wordt afgeweken, wordt bekostiging van vervoer naar een stageplaats alleen toegekend als de school deze keuze toereikend motiveert.

3.

Vervoer vindt uitsluitend plaats op vaste uren in de ochtend en middag, aansluitend aan de schooltijden zoals vermeld in de schoolgids. Wanneer andere werktijden gangbaar zijn in de beroepssector kan hier gemotiveerd van afgeweken worden.

4.

Stagevervoer tijdens weekenden of schoolvakanties wordt niet bekostigd.

Artikel 6 Vervoer buiten reguliere schooltijden (artikel 1 sub r)

1.

De schooltijden, zoals opgenomen in de schoolgids van de school zijn leidend voor het vervoer naar school en naar huis. Bij afwijkende schooltijden vanwege een examen, een toetsweek, uitval van lesuren, schoolreisjes of ziekte kan geen aanspraak gemaakt worden op het leerlingenvervoer.

2.

Ouders/verzorgers zijn verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind van en naar school buiten de reguliere schooltijden en ontvangen daar geen vergoeding voor.

3.

Bij extreme weersomstandigheden beslist de vervoerder of het vervoer niet of op een later tijdstip plaats moet vinden. De vervoerder communiceert dit naar ouders/verzorgers en naar de gemeente.

Artikel 7 Vervoer naar andere bestemmingen (artikel 1 sub t, 2 en 3)

1.

Leerlingenvervoer is uitsluitend bestemd voor vervoer naar en van school en kan niet worden ingezet voor vervoer van leerlingen naar bijv. sportvoorzieningen.

2.

Vervoer van school naar de buitenschoolse opvang of een door ouders/verzorgers aangewezen ander opvangadres, dat niet is aangemerkt als woning, is mogelijk als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • -
    alleen indien het opvangadres binnen de route ligt van het vervoermiddel waarin de leerling vervoerd wordt én;
  • -
    er geen extra kosten mee gemoeid zijn én;
  • -
    de overige leerlingen in betreffend vervoermiddel er geen onevenredig veel nadeel van ondervinden én;
  • -
    de structuur bepalend is, dus een vaste dag en een vast adres, en niet op incidentele basis.
3.

In de volgende situaties is er geen sprake van leerlingenvervoer:

  • -
    vervoer tussen schoolgebouwen onderling;
  • -
    vervoer tussen school en zwembad of gymnastieklokaal;
  • -
    vervoer voor medische of paramedische behandeling;
  • -
    vervoer voor schoolreisjes en sportdagen;
  • -
    vervoer naar logeerhuizen.

Artikel 8 Woonplaatsbeginsel ouders/verzorgers (artikel 1 sub t)

1.

Als hoofdregel geldt dat de aanvraag moet worden ingediend bij de gemeente waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Een uitzondering op deze regel is bij crisisopvang indien:

  • -
    het kind in de gemeente Neerijnen al gebruik maakt van het leerlingenvervoer én
  • -
    het van te voren vast staat dat het een korte tijd (max. 6 weken) in een andere gemeente zal verblijven én
  • -
    het kind de ’oude’ school blijft bezoeken én
  • -
    na korte periode zal terug keren naar de gemeente Neerijnen.
  • -
    de afstand ‘oude’ school en dichtstbijzijnde toegankelijke school vanaf opvangadres niet meer bedraagt dan maximaal 10 km extra.

In dit geval blijft gemeente Neerijnen het vervoer bekostigen/verzorgen.

In alle andere situaties dat een kind tijdelijk elders verblijft geldt de hoofdregel. Bijvoorbeeld bij crisisopvang als niet duidelijk is waar het kind daarna terecht komt en/of de crisisopvang meer dan 6 weken gaat duren.

Artikel 9 Co-ouderschap (artikel 1 sub t)

1.

Een kind van gescheiden ouders kan twee verblijfplaatsen hebben. Bijvoorbeeld bij co- ouderschap, als het kind evenveel bij de ene als de andere ouder verblijft. Er is sprake van co-ouderschap als beide ouders in een regelmatige afwisseling de zorg voor het kind hebben. Indien leerlingenvervoer is gewenst, moeten beide ouders afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is. Hierbij gaat het niet om waar de leerling is ingeschreven. Het gaat om de feitelijke verblijfplaats van de leerling.

Artikel 10 Begeleiding in vervoer (artikel 1 sub c, 12, en 18)

1.

De verordening leerlingenvervoer geeft criteria om voor een vergoeding van het aangepast vervoer in aanmerking te komen. Eén van de criteria is, dat aangepast vervoer wordt verstrekt, indien door de ouders/verzorgers genoegzaam aantonen dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. Van ouders/verzorgers wordt geen begeleiding verlangd als:

  • -
    het een éénoudergezin betreft, waarbij de ouder/verzorger werkt of een opleiding volgt, die moet leiden tot het vinden van werk en aanpassing van de werk- of lestijden het onmogelijk maken het kind te begeleiden. Dit moet aangetoond worden (door middel van een verklaring) net als het feit dat anderen hierbij niet behulpzaam kunnen zijn.
  • -
    het een éénoudergezin betreft en de ouder/verzorger één of meerdere kinderen, jonger dan 11 jaar uit hetzelfde gezin, tegelijkertijd naar een andere school moet brengen. Er moet aannemelijk worden gemaakt dat een andere oplossing (bijvoorbeeld het inschakelen van buren of familie) niet mogelijk is.
  • -
    door een medisch deskundige is vastgesteld dat er medische redenen zijn die (één van de) ouders/verzorgers belemmeren het kind te begeleiden en anderen hierbij niet behulpzaam kunnen zijn.

Naast de criteria, die hierboven vermeld staan om in aanmerking te kunnen komen voor het aangepaste vervoer, kan per situatie bekeken worden, wat in redelijkheid van de ouders/verzorgers kan worden verwacht.

2.

De begeleiding van een leerling naar school mag de begeleider maximaal vier uur per dag kosten en maximaal één uur per enkele reisafstand. De inzet van meerdere begeleiders is mogelijk.

Artikel 11 Stimuleren zelfredzaamheid in het vervoer

1.

Om de zelfredzaamheid van de leerling bij het fietsen of het reizen met het openbaar vervoer te vergroten, kan de leerling deelnemen aan een speciaal project gericht op het zelfstandig kunnen reizen.

2.

Door middel van gesprekken met ouders/verzorgers en scholen wordt door de scholen en/of gemeente onderzocht wat de leerling nodig heeft om zelfstandig te kunnen reizen.

3.

Ouders/verzorgers worden door de scholen en/of gemeente gestimuleerd en gemotiveerd om met hun kind te oefenen, hun kind te (laten) begeleiden bij het zelfstandig reizen.

Artikel 12 Handicap (artikel 11, 12, 17b en 18)

1.

Er is onderscheid te maken in een structurele of een tijdelijke handicap. Leerlingen die vanwege een structurele lichamelijk, verstandelijke, zintuigelijk of psychisch handicap niet zelfstandig of in het geheel niet – ook niet onder begeleiding- van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken, komen in aanmerking voor een vervoersvoorziening (aangepast vervoer). Voor deze leerlingen geldt geen kilometergrens, drempelbedrag of inkomensafhankelijke bijdrage.

2.

Wanneer een leerling vanwege herstel of revalidatie langer dan drie maanden afhankelijk is van een medisch hulpmiddel (bijv. een rolstoel), kan er een beroep worden gedaan op het leerlingenvervoer. Hiervoor moet een medische verklaring overlegd worden. De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen voor de duur van het herstel en/of de revalidatie.

3.

De gemeente verstrekt geen vervoersvoorziening om tijdelijke medische redenen korter dan drie maanden. Ouders/verzorgers zijn hier zelf verantwoordelijk voor.

Artikel 13 Advies andere deskundigen (artikel 9 en 16)

1.

Wanneer wordt aangegeven dat een leerling gebruik moet maken van aangepast vervoer op grond van een handicap, moet ter onderbouwing een medische verklaring worden meegestuurd. Deze medische verklaring moet inzicht geven waarom de leerling niet zelfstandig of niet onder begeleiding gebruik kan maken van het openbaar vervoer. De medische verklaring mag in principe niet ouder zijn dan drie jaar.

2.

Voor de beoordeling van de aanvraag en het voorbereiden van de beslissing op de aanvraag kan het college een onafhankelijk onderzoek instellen naar welke vorm van vervoer een leerling in aanmerking moet komen. Deze kosten zullen door de gemeente worden gedragen.

3.

Het onafhankelijk onderzoek wordt uitgevoerd door een door de gemeente aan te wijzen onafhankelijke adviesorganisatie. De medische verklaring heeft in principe een geldigheidsduur van maximaal drie jaar. Zie ook de toelichting bij artikel 9 en 16 in de verordening.

Artikel 14 Ongewenst gedrag

1.

De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de leerling gedurende het verblijf van de leerling in het door de gemeente bekostigde vervoer berust bij de ouders/verzorgers.

2.

Leerlingen die met aangepast vervoer naar school gaan, kunnen gedrag vertonen wat onacceptabel is, omdat het daarmee een gevaar voor zichzelf en/of anderen veroorzaakt, bedreigend of onhygiënisch is. Wanneer zo’n situatie zich voordoet kan onderzocht worden of hier een medische oorzaak aan ten grondslag ligt. Afhankelijk van het medische advies kan de toegekende vervoersvoorziening zo nodig worden aangepast.

3.

De gemeente wil de verantwoordelijkheid in het vervoer van leerlingen bij de ouders/verzorgers laten. In situaties, waarbij een leerling ontoelaatbaar gedrag vertoond in het aangepaste vervoer, worden ouders/verzorgers schriftelijk op de hoogte gebracht en kan hen de gelegenheid geboden worden hun kind te (laten) begeleiden. Hiertoe stelt de gemeente een zitplaats beschikbaar. Wanneer het gedrag niet verbetert, kan de gemeente besluiten het aangepaste vervoer voor deze leerling te beëindigen, op te schorten of in te trekken. Over de noodzaak van begeleiding of de inzet van individueel vervoer voor de leerling kan de gemeente zich laten adviseren door een externe deskundige.

4.

Ook wanneer er een medische oorzaak is aan te wijzen voor de misdragingen en die misdragingen kunnen met het bieden van begeleiding onder controle gehouden worden, zijn het de ouders/verzorgers die de begeleiding dienen te organiseren.

Artikel 15 Berekening en uitbetaling vergoedingen (artikel 1 sub s, 10, 11, 13, 17a, 17b, 19)

1.

Vergoedingen voor eigen vervoer per fiets of auto worden afgeleid van de Reisregeling binnenland.

2.

De vergoeding voor eigen vervoer per auto wordt berekend op basis van 2x heen- en 2x terugreis.

3.

De vergoeding voor het openbaar vervoer wordt vastgesteld aan de hand van de meest haalbare en voordeligste oplossing.

4.

Uitbetaling vindt plaats op basis van een normatieve berekening waarbij wordt uitgegaan van het werkelijk aantal bezochte schooldagen.

5.

Verantwoording in de vorm van uitdraaien van vervoerbewegingen voor de leerling zijn bij iedere declaratie nodig. Betaalbewijzen e.d. voor de leerling hoeven alleen de eerste maand meegestuurd te worden.

Artikel 16 Drempelbedrag (artikel 14)

1.

De hoogte van het drempelbedrag is gebaseerd op de kosten van openbaar vervoer, het CBS indexcijfer volgens opgave door VNG.

2.

Het drempelbedrag wordt berekend op basis van een heel schooljaar. Als slechts een gedeelte van het schooljaar gebruik gemaakt wordt van leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag berekend naar rato van het aantal maanden. Uitgegaan wordt van 10 (school)maanden. Hierbij wordt een periode van minder dan een halve maand afgerond naar beneden en meer dan een halve maand afgerond naar boven.

3.

Ouders zijn geen drempelbedrag verschuldigd wanneer hun gezamenlijk jaarinkomen beneden een bepaalde grens ligt. Voor de bepaling van het inkomen worden de inkomensgegevens van beide ouders/verzorgers beoordeeld.

4.

Beoordeling van het gezamenlijk inkomen gebeurt aan de hand van een IB60 verklaring of een kopie belasting aanslag van het peiljaar. Als de ouders/verzorgers de gevraagde inkomensgegevens niet verstrekken, wordt automatisch het drempelbedrag in rekening gebracht.

5.

De peildatum van het inkomen ligt volgens de verordening 2 jaar voor het aanvraagjaar. Bij een aantoonbare structurele daling van het inkomen in de periode tussen het peiljaar en het jaar van de aanvraag, kan een later peiljaar gekozen worden.

6.

Gezien het maatschappelijk belang van de inzet van pleegouders wordt aan verzorgers geen drempelbedrag in rekening gebracht.

7.

Als ouders/verzorgers zijn toegelaten tot de Wsnp (Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen) (beschikking overleggen) zal afgezien worden van het opleggen van een drempelbedrag.

8.

Bij meer kinderen uit een gezin, die gebruik maken van aangepast vervoer, zal over maximaal 2 kinderen een drempelbedrag verschuldigd zijn. Bij eigen vervoer door ouders/verzorgers wordt er geadviseerd 1 kind voor het leerlingenvervoer op te geven.

9.

Om het zelfstandig fietsen van de leerling te stimuleren wordt bij een fietsvergoeding geen drempelbedrag in rekening gebracht.

Artikel 17 Citeertitel en inwerkingtreding

1.

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregels leerlingenvervoer gemeente Neerijnen 2016’.

2.

De beleidsregels treden in werking op de 8e dag na bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van 14 juni 2016

De secretaris,
P.W. Wanrooij
De burgemeester,
H.H. de Vries