Officiele publicatie

CAR-UWO wijzigingen Regio Rivierenland

Aan: Het Dagelijks Bestuur

Vergadering: 8 februari 2017

Onderwerp: CAR - UWO wijzigingen

Voorstel

1: De volgende circulaires van het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) vast te stellen en deze in werking te laten treden met ingang van de per circulaire vermelde datum.

  • De circulaire van 10 november 2016 ECWGO/U201601310 betreffende de CAR-UWO wijziging als gevolg van invoering IKB overeenkomstig de bijlage;
  • De circulaire van 24 november 2016 ECWGO/U201601499 betreffende de CAR-UWO wijziging als gevolg van de nieuwe collectieve zorgverzekering overeenkomstig de bijlage;
  • De circulaire van 17 januari 2017 ECWGO/U201700032 betreffende de nagekomen aanpassing CAR-UWO als gevolg het IKB overeenkomstig de bijlage.

samenvatting circulaires

  • De circulaire van 10 november 2016 ECWGO/U201601310 betreffende de CAR-UWO wijziging als gevolg van invoering IKB (inwerkingtreding 01-01-'17);

De regeling IKB (Individueel Keuzebudget) wordt op 1 januari 2017 als paragraaf 5 van het beloningshoofdstuk 3 ingevoerd in de CARUWO. Zoals reeds aangekondigd, leidt deze invoering tot meerdere technische wijzigingen in de integrale CARUWO én de toelichting daarop. Een revisie van de CARUWO en de toelichting heeft deze technische wijzigingen inzichtelijk gemaakt. In deze ledenbrief treft u deze wijzigingen aan.

  • De circulaire van 24 november 2016 ECWGO/U201601499 betreffende de CAR-UWO wijziging als gevolg van de nieuwe collectieve zorgverzekering (inwerkingtreding 01-01-'17);

Vanaf 1 januari 2017 hebben gemeenten een nieuwe collectieve zorgverzekering. De collectieve zorgverzekering is voor (oud-)medewerkers en (oud-)bestuurders van alle gemeenten. De VNG heeft de leden eerder geïnformeerd over deze collectieve zorgverzekering.

Deze brief gaat over de aanpassing van de CAR-UWO aan de nieuwe collectieve zorgverzekering. De regeling blijft hetzelfde maar de genoemde zorgverzekeraars veranderen. Nu zijn dat IZA en Zilveren Kruis Achmea. Vanaf 1 januari 2017 zijn dat CZ, IZA en Menzis.

  • De circulaire van 17 januari 2017 ECWGO/U201700032 betreffende de nagekomen aanpassing CAR-UWO als gevolg het IKB overeenkomstig de bijlage (inwerkingtreding 01-01-'17);.

De invoering van het IKB (Individueel Keuzebudget) in het beloningshoofdstuk van de CARUWO heeft geleid tot meerdere technische wijzigingen in de integrale CARUWO én de toelichting daarop.

Bijlage 1 bij ledenbrief ECCVA/U201601310

Bijlage 1 CAR teksten

  • A.
    Aan artikel 1:1 lid 1 wordt na onderdeel vv een nieuw onderdeel toegevoegd:
    • ww
      vakantietoelage: jaarlijkse toelage van 8% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), hetgeen met ingang van 1 januari 2017 een vast onderdeel van het Individueel Keuze Budget vormt.
  • B.
    In artikel 1:2a lid 2 wordt het nummer: “4a,” geschrapt.
  • C.
    In artikel 1:2b lid 2 wordt het nummer: “4a,” geschrapt.
  • D.
    Artikel 1:2c wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak 
    • 1.
      In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.
    • 2.
      In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage van het salaris lager dan het wettelijk minimumloon, dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon.
    • 3.
      Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 1 gelden niet de in artikel 3:28 lid 2, onderdelen a , b en c genoemde minimumbedragen.
    • 4.
      Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 2 gelden als minimumbedragen, de bedragen genoemd in artikel 3:28 lid 2, onderdelen a, b en c naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.
    • 5.
      Indien het college voor de in lid 2 genoemde ambtenaar loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen.
  • F.
    Artikel 2:7a wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 1.
      Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week. 
    • 2.
      Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:
      • 1.
        - de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; 
      • 2.
        - het salaris evenredig wordt verhoogd; 
      • 3.
        - de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; 
      • 4.
        - de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; 
      • 5.
        - het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a evenredig wordt verhoogd; 
      • 6.
        - het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel b evenredig wordt verhoogd; 
      • 7.
        - instemming van de ambtenaar is vereist; 
      • 8.
        - de verkoop van vakantieuren op grond van artikel 3:36 voor de duur van de verruiming niet is toegestaan.
    • 3.
      Wanneer lid 1 van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR.
    • 4.
      Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.
  • G.
    Artikel 3:19 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 2.
      Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%.
  • De toelichting op artikel 3:19 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Lid 2
    De ambtsjubileumgratificatie wordt berekend op basis van het geldende salaris en de toegekende salaristoelagen, tezamen vermeerderd met 8% (deze 8% betreft de vakantietoelage die per 1 januari 2017 is toegevoegd aan het IKB; hoofdstuk 3, par. 5) naar rato over de maand waarin het jubileum valt. Een ambtsjubileumgratificatie kan niet in alle gevallen onbelast worden uitgekeerd; aanbevolen wordt om dit bij de Belastingdienst na te gaan.
  • H.
    Artikel 3:23 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 2.
      Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen – een overlijdensuitkering, die bestaat uit: driemaal het laatst genoten salaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%.
  • I.
    Artikel 3:24 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 2.
      de uitkering bedraagt één jaarsalaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden.
  • De toelichting op artikel 3:24 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Lid 2
    Nabestaanden van de ambtenaar die als gevolg van een ongeval in en door de dienst overlijden, krijgen deze overlijdensuitkering naast de overlijdensuitkering van artikel 3:23.
    De hoogte van de uitkering is één jaarsalaris vermeerderd met de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8% (deze 8% betreft de vakantietoelage die per 1 januari 2017 is toegevoegd aan het IKB; hoofdstuk 3, par. 5), waarbij de 12 kalendermaanden direct voorafgaand aan de maand van overlijden als referteperiode dient.
    Ziekte van de ambtenaar in die referteperiode, waarbij zijn salaris is gekort o.g.v. artikel 7:3 CAR, heeft geen invloed op de hoogte van de overlijdensuitkering. Op jaarbasis wordt gerekend met het volledige salaris. Ook bij toepassing van lid 3 gelden de 12 kalendermaanden voorafgaand aan de maand van overlijden als referteperiode.
  • J.
    Artikel 3:28 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Artikel 3:28 Opbouw IKB
    • 1.
      Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel waarover pensioen wordt opgebouwd en een deel waarover geen pensioen wordt opgebouwd.
    • 2.
      Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd bedraagt:
      • a.
        8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en
      • b.
        6% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 145,83 bij een volledig dienstverband, en
      • c.
        1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband.
    • 3
      Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd bedraagt:
      • a.
        0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, en
      • b.
        indien en voor zolang hoofdstuk 9a van toepassing is op de ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit voor maximaal 20 jaar geldt, tenzij artikel 9a:9 lid 1, onderdeel b van toepassing is.
    • 4
      Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk zijn uitbetaald dan wordt het IKB in die maand berekend op basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde salaristoelage(n). Ontvangt de ambtenaar in een maand geen salaris dan wordt in die maand geen IKB opgebouwd.
    • 5
      Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk zijn uitbetaald op grond van artikel 7:3 lid 2 tot en met 4 dan wordt, in afwijking van lid 4 van dit artikel, het IKB in die maand berekend op basis van het volledige salaris en toegekende salaristoelage(n).
    • 6.
      Het college kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn een persoonlijk budget, voor zover dat in de gemeente bestaat en niet is opgenomen in de TOR zoals omschreven in paragraaf 7 van hoofdstuk 3.
    • 7.
      Op de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:1 is lid 2, onderdeel c van dit artikel niet van toepassing. De vorige volzin geldt niet voor de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:50.
  • De toelichting op artikel 3:28 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Artikel 3:28 Opbouw IKB 
    Lid 2
    In dit lid is geregeld wat de bronnen van het pensioengevende deel van het IKB zijn. De bronnen komen uit arbeidsvoorwaarden die tot 1 januari 2017 onder een andere naam in de CARUWO geregeld waren. Het IKB is opgebouwd uit:
    • a.
      de vakantietoelage, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel 6:3, en
    • b.
      de eindejaarsuitkering, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel 3:18a, en
    • c.
      de levensloopuitkering, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel 6a:7 lid 1.
  • Lid 3
    In dit lid zijn de niet-pensioengevende bronnen van het IKB geregeld: De financiële tegenwaarde van 14,4 uren bovenwettelijk vakantieverlof is niet pensioengevend. Tot 1 januari 2017 had de ambtenaar op grond van artikel 6:2 recht op ten minste 158,4 uren vakantieverlof per kalenderjaar. Met ingang van 1 januari 2017 is de aanspraak op vakantieverlof verminderd tot 144 uren per kalenderjaar. De financiële tegenwaarde van 14,4 uren vakantieverlof is per diezelfde datum opgenomen in het IKB.
    Brandweerpersoneel dat valt onder hoofdstuk 9a heeft recht op 2,5% opbouw van de levenslooptoelage, in plaats van 1,5%. De extra 1% is niet pensioengevend en is daarom in het IKB niet een bron die pensioengevend is.
    Lid 7
    In dit lid is geregeld dat de 1,5% opbouw van het IKB, als vervanging van de levensloopuitkering, niet van toepassing is op brandweerpersoneel dat recht heeft op FLO overgangsrecht zoals omschreven in hoofdstuk 9b. De reden hiervan is dat voor medewerkers met FLO overgangsrecht aparte afspraken gelden over levensloop. Voor medewerkers als bedoeld in paragraaf 5 van hoofdstuk 9b geldt deze uitzondering niet.
  • K.
    Aan artikel 3:36 wordt een nieuw tweede lid toegevoegd, onder vernummering van lid 2 tot en met lid 4 in lid 3 tot en met 5:
    • 2.
      Vakantie-uren die de ambtenaar heeft gekocht op grond van artikel 3:29 lid 1, sub a kunnen niet worden verkocht op grond van dit artikel.
  • De toelichting op artikel 3:36 lid 2 komt te luiden:
    Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren
    Lid 2
    De reden dat dit lid is opgenomen, is dat het op grond van fiscale regelgeving niet is toegestaan om vakantie-uren te verkopen die in het IKB zijn gekocht.
  • L.
    Artikel 3:38 wordt vernummerd in artikel 3:37.
    In de toelichting op punt 3, in de derde alinea, worden de woorden: “extra eindejaarsuitkering of een” geschrapt.
    In de toelichting op punt 4 worden de woorden “eindejaarsuitkering, vakantietoelage of levensloopbijdrage” vervangen door: “het IKB”.
  • M.
    De titel van hoofdstuk 6 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    VAKANTIE EN VERLOF
  • N.
    Artikel 6:2 lid 1 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 1.
      De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 144 uur per kalenderjaar.
  • De toelichting op artikel 6:2 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Lid 2
    Een ambtenaar kan verzoeken in enig jaar maximaal 50,4 uur op jaarbasis (bij een volledig dienstverband) meer te werken dan de maximale arbeidsduur van 1836 uur voortvloeit. Voor een deeltijder geldt een naar evenredigheid aantal uren als maximum.
    Toekenning van dit verzoek geeft de ambtenaar recht op een gelijk aantal extra vakantie-uren. Dit verzoek dient betrokkene in vóór 1 november (tenzij anders geregeld) in het jaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor het verzoek geldt. Gelet op de samenhang met paragraaf 5 en 6 van hoofdstuk 3 ligt het voor de hand dat het college bij de toewijzing van de verzoeken rekening houdt met alle mutaties van het verlof, te weten:
    • extra vakantie-uren op basis van dit artikel
    • verkoop van vakantie-uren op basis van artikel 3:36;
    • koop van vakantie-uren op basis van artikel 3:29 lid 1, onderdeel a..
  • Op basis van het totaalbeeld van de effecten van alle verzoeken kan worden bezien in hoeverre sprake is van ernstige problemen van organisatorische dan wel roostertechnische aard.
  • S.
    In de toelichting op artikel 6:10 lid 1 worden de woorden “de vakantietoelage, levensloopbijdrage en eindejaarsuitkering” vervangen door: “het IKB”.
  • T.
    In de toelichting op hoofdstuk 6a wordt de laatste zin van de eerste alinea geschrapt.
  • U.
    Artikel 6a:6 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Artikel 6a:6 Bronnen
    De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:
    • a.
      het salaris; 
    • b.
      het IKB indien het college de levensloopregeling op grond van artikel 3:29 lid 2 heeft aangewezen als bestedingsdoel van het IKB;
    • c.
      de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren, bedoeld in artikel 3:36; 
    • d.
      het opgebouwde verloftegoed, bedoeld in artikel 4:9 lid 3.
  • X.
    Artikel 7:14 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
    • 1.
      De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim. 
    • 2.
      De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, en de opbouw van het IKB bedoeld in artikel 3:28, worden gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: 
      • a.
        weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten; 
      • b.
        weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel b;
      • c.
        weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11 lid 2 verplicht is.
    • 3.
      De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), en de opbouw van het IKB, bedoeld in lid 2, vinden wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het lid 2. 
  • In de toelichting op artikel 7:14 worden in de eerste alinea tussen de woorden “salaristoelage(n)” en “weer opgestart.” de woorden “en de opbouw van het IKB” toegevoegd.
    De toelichting op artikel 7:14 lid 3 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Lid 3
    Als de ambtenaar, bedoeld in lid 2, geen verwijt gemaakt kan worden op grond van zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB wel plaats. De gemeente moet zich voor het besluit om de betaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB te staken dus vergewissen van de geestestoestand van de ambtenaar.
  • IJ.
    In de algemene toelichting op artikel 7:16 worden in de laatste alinea tussen de woorden ”salaristoelage(n)” en “te staken,” de woorden “en de opbouw van het IKB” toegevoegd.
  • Z.
    In artikel 10d:2 sub worden de woorden “de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering” vervangen door: “het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a en b”.

Bijlage 2 bij ledenbrief ECCVA/U201601310

Bijlage 2 CARUWO teksten

  • A.
    Aan artikel 1:1 lid 1 wordt na onderdeel vv een nieuw onderdeel toegevoegd:
    • ww
      vakantietoelage: jaarlijkse toelage van 8% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), hetgeen met ingang van 1 januari 2017 een vast onderdeel van het Individueel Keuze Budget vormt.
  • B.
    In artikel 1:2a lid 2 wordt het nummer: “4a,” geschrapt.
  • C.
    In artikel 1:2b lid 2 wordt het nummer: “4a,” geschrapt.
  • D.
    Artikel 1:2c wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak 
    • 1.
      In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.
    • 2.
      In afwijking van artikel 3:3 lid 1 kan het college vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100% is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde percentage van het salaris lager dan het wettelijk minimumloon, dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk minimumloon.
    • 3.
      Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 1 gelden niet de in artikel 3:28 lid 2, onderdelen a , b en c genoemde minimumbedragen.
    • 4.
      Voor de ambtenaar, bedoeld in lid 2 gelden als minimumbedragen, de bedragen genoemd in artikel 3:28 lid 2, onderdelen a, b en c naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.
    • 5.
      Indien het college voor de in lid 2 genoemde ambtenaar loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop gebaseerde toelagen en vergoedingen.
  • E.
    Artikel 2:5:4 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 2.
      Het salaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%, worden uitgedrukt in een bedrag per uur.
  • F.
    Artikel 2:7a wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 1.
      Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.
    • 2.
      Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:
      • 1.
        - de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode; 
      • 2.
        - het salaris evenredig wordt verhoogd; 
      • 3.
        - de vakantieduur evenredig wordt verhoogd; 
      • 4.
        - de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd; 
      • 5.
        - het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a evenredig wordt verhoogd; 
      • 6.
        - het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel b evenredig wordt verhoogd; 
      • 7.
        - instemming van de ambtenaar is vereist; 
      • 8.
        - de verkoop van vakantieuren op grond van artikel 3:36 voor de duur van de verruiming niet is toegestaan.
    • 3.
      Wanneer lid 1 van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR.
    • 4.
      Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.
  • G.
    Artikel 3:19 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 2.
      Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage het maandsalaris en de toegekende salaristoelage(n) over de maand van jubileren, tezamen vermeerderd met 8%.
  • De toelichting op artikel 3:19 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Lid 2
    De ambtsjubileumgratificatie wordt berekend op basis van het geldende salaris en de toegekende salaristoelagen, tezamen vermeerderd met 8% (deze 8% betreft de vakantietoelage die per 1 januari 2017 is toegevoegd aan het IKB; hoofdstuk 3, par. 5) naar rato over de maand waarin het jubileum valt. Een ambtsjubileumgratificatie kan niet in alle gevallen onbelast worden uitgekeerd; aanbevolen wordt om dit bij de Belastingdienst na te gaan.
  • H.
    Artikel 3:23 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 2.
      Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige kinderen – een overlijdensuitkering, die bestaat uit: driemaal het laatst genoten salaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%.
  • I.
    Artikel 3:24 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 2.
      de uitkering bedraagt één jaarsalaris en de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8%, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden.
  • De toelichting op artikel 3:24 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Lid 2
    Nabestaanden van de ambtenaar die als gevolg van een ongeval in en door de dienst overlijden, krijgen deze overlijdensuitkering naast de overlijdensuitkering van artikel 3:23.
    De hoogte van de uitkering is één jaarsalaris vermeerderd met de toegekende salaristoelage(n), tezamen vermeerderd met 8% (deze 8% betreft de vakantietoelage die per 1 januari 2017 is toegevoegd aan het IKB; hoofdstuk 3, par. 5), waarbij de 12 kalendermaanden direct voorafgaand aan de maand van overlijden als referteperiode dient.
    Ziekte van de ambtenaar in die referteperiode, waarbij zijn salaris is gekort o.g.v. artikel 7:3 CAR, heeft geen invloed op de hoogte van de overlijdensuitkering. Op jaarbasis wordt gerekend met het volledige salaris. Ook bij toepassing van lid 3 gelden de 12 kalendermaanden voorafgaand aan de maand van overlijden als referteperiode.
  • J.
    Artikel 3:28 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Artikel 3:28 Opbouw IKB
    • 1.
      Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel waarover pensioen wordt opgebouwd en een deel waarover geen pensioen wordt opgebouwd.
    • 2.
      Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd bedraagt:
      • a.
        8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris vermeerderd met de salaristoelagen genoemd in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en
      • b.
        6% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 145,83 bij een volledig dienstverband, en
      • c.
        1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband.
    • 3
      Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd bedraagt:
      • a.
        0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, en
      • b.
        indien en voor zolang hoofdstuk 9a van toepassing is op de ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit voor maximaal 20 jaar geldt, tenzij artikel 9a:9 lid 1, onderdeel b van toepassing is.
    • 4
      Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk zijn uitbetaald dan wordt het IKB in die maand berekend op basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde salaristoelage(n). Ontvangt de ambtenaar in een maand geen salaris dan wordt in die maand geen IKB opgebouwd.
    • 5
      Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk zijn uitbetaald op grond van artikel 7:3 lid 2 tot en met 4 dan wordt, in afwijking van lid 4 van dit artikel, het IKB in die maand berekend op basis van het volledige salaris en toegekende salaristoelage(n).
    • 6.
      Het college kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn een persoonlijk budget, voor zover dat in de gemeente bestaat en niet is opgenomen in de TOR zoals omschreven in paragraaf 7 van hoofdstuk 3.
    • 7.
      Op de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:1 is lid 2, onderdeel c van dit artikel niet van toepassing. De vorige volzin geldt niet voor de ambtenaar bedoeld in artikel 9b:50.
  • De toelichting op artikel 3:28 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Artikel 3:28 Opbouw IKB 
    Lid 2
    In dit lid is geregeld wat de bronnen van het pensioengevende deel van het IKB zijn. De bronnen komen uit arbeidsvoorwaarden die tot 1 januari 2017 onder een andere naam in de CARUWO geregeld waren. Het IKB is opgebouwd uit:
    • a.
      de vakantietoelage, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel 6:3, en
    • b.
      de eindejaarsuitkering, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel 3:18a, en
    • c.
      de levensloopuitkering, zoals tot 1 januari 2017 geregeld in artikel 6a:7 lid 1.
  • Lid 3
    In dit lid zijn de niet-pensioengevende bronnen van het IKB geregeld:
    De financiële tegenwaarde van 14,4 uren bovenwettelijk vakantieverlof is niet pensioengevend. Tot 1 januari 2017 had de ambtenaar op grond van artikel 6:2 recht op ten minste 158,4 uren vakantieverlof per kalenderjaar. Met ingang van 1 januari 2017 is de aanspraak op vakantieverlof verminderd tot 144 uren per kalenderjaar. De financiële tegenwaarde van 14,4 uren vakantieverlof is per diezelfde datum opgenomen in het IKB.
    Brandweerpersoneel dat valt onder hoofdstuk 9a heeft recht op 2,5% opbouw van de levenslooptoelage, in plaats van 1,5%. De extra 1% is niet pensioengevend en is daarom in het IKB niet een bron die pensioengevend is.
    Lid 7
    In dit lid is geregeld dat de 1,5% opbouw van het IKB, als vervanging van de levensloopuitkering, niet van toepassing is op brandweerpersoneel dat recht heeft op FLO overgangsrecht zoals omschreven in hoofdstuk 9b. De reden hiervan is dat voor medewerkers met FLO overgangsrecht aparte afspraken gelden over levensloop. Voor medewerkers als bedoeld in paragraaf 5 van hoofdstuk 9b geldt deze uitzondering niet.
  • K.
    Aan artikel 3:36 wordt een nieuw tweede lid toegevoegd, onder vernummering van lid 2 tot en met lid 4 in lid 3 tot en met 5:
    • 2.
      Vakantie-uren die de ambtenaar heeft gekocht op grond van artikel 3:29 lid 1, sub a kunnen niet worden verkocht op grond van dit artikel.
  • De toelichting op artikel 3:36 lid 2 komt te luiden:
    Artikel 3:36 Verkoop van vakantie-uren
    Lid 2
    De reden dat dit lid is opgenomen, is dat het op grond van fiscale regelgeving niet is toegestaan om vakantie-uren te verkopen die in het IKB zijn gekocht.
  • L.
    Artikel 3:38 wordt vernummerd in artikel 3:37.
    In de toelichting op punt 3, in de derde alinea, worden de woorden: “extra eindejaarsuitkering of een” geschrapt.
    In de toelichting op punt 4 worden de woorden “eindejaarsuitkering, vakantietoelage of levensloopbijdrage” vervangen door: “het IKB”.
  • M.
    De titel van hoofdstuk 6 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    VAKANTIE EN VERLOF
  • N.
    Artikel 6:2 lid 1 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 1.
      De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 144 uur per kalenderjaar.
  • De toelichting op artikel 6:2 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Lid 2
    Een ambtenaar kan verzoeken in enig jaar maximaal 50,4 uur op jaarbasis (bij een volledig dienstverband) meer te werken dan de maximale arbeidsduur van 1836 uur voortvloeit. Voor een deeltijder geldt een naar evenredigheid aantal uren als maximum.
    Toekenning van dit verzoek geeft de ambtenaar recht op een gelijk aantal extra vakantie-uren. Dit verzoek dient betrokkene in vóór 1 november (tenzij anders geregeld) in het jaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor het verzoek geldt. Gelet op de samenhang met paragraaf 5 en 6 van hoofdstuk 3 ligt het voor de hand dat het college bij de toewijzing van de verzoeken rekening houdt met alle mutaties van het verlof, te weten:
    • extra vakantie-uren op basis van dit artikel
    • verkoop van vakantie-uren op basis van artikel 3:36;
    • koop van vakantie-uren op basis van artikel 3:29 lid 1, onderdeel a..
  • Op basis van het totaalbeeld van de effecten van alle verzoeken kan worden bezien in hoeverre sprake is van ernstige problemen van organisatorische dan wel roostertechnische aard.
  • O.
    In de toelichting op artikel 6:2:6 lid 3 wordt het getal “187,2” op twee plaatsen gewijzigd in: “144” en het getal “280,8” in: “216”.
  • P.
    Artikel 6:3:1 vervalt, inclusief titel.
    De toelichting op artikel 6:3:1 vervalt, inclusief titel.
  • Q.
    Artikel 6:4:1a lid 6 en lid 7 worden geschrapt.
    De toelichting op de artikel 6:4:1a leden 6 tot en met 7 wordt geschrapt.
  • R.
    Artikel 6:5:4 wordt, inclusief titel, gewijzigd en komt te luiden:
    Opbouw vakantie
    De duur van de vakantie van een ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.
    De toelichting op artikel 6:5:4 wordt, inclusief titel, gewijzigd en komt te luiden:
    Opbouw vakantie
    De korting van vakantieverlof vindt gedurende het ouderschapsverlof plaats overeenkomstig de omvang en de duur van dit verlof. Geniet de ambtenaar bijvoorbeeld ouderschapsverlof gedurende zes maanden voor de helft van zijn arbeidsduur en loopt het verlof van 1 mei tot 1 november, dan heeft betrokkene tot en met april recht op volledig verlof (4/12 x verlofaanspraak op jaarbasis), van mei tot november een halve verlofopbouw (6/12 x verlofaanspraak op jaarbasis x 0,5) en in november en december weer een gehele verlofopbouw (2/12 x verlofaanspraak op jaarbasis). 
  • S.
    In de toelichting op artikel 6:10 lid 1 worden de woorden “de vakantietoelage, levensloopbijdrage en eindejaarsuitkering” vervangen door: “het IKB”.
  • T.
    In de toelichting op hoofdstuk 6a wordt de laatste zin van de eerste alinea geschrapt.
  • U.
    Artikel 6a:6 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Artikel 6a:6 Bronnen
    De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:
    • a.
      het salaris; 
    • b.
      het IKB indien het college de levensloopregeling op grond van artikel 3:29 lid 2 heeft aangewezen als bestedingsdoel van het IKB;
    • c.
      de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren, bedoeld in artikel 3:36; 
    • d.
      het opgebouwde verloftegoed, bedoeld in artikel 4:9 lid 3.
  • V.
    In artikel 7:13:1 worden tussen de woorden “in artikel 7:3” en “bestaat:” de woorden “en geen opbouw van het IKB, bedoeld in artikel 3:28,” toegevoegd.
    In de toelichting op artikel 7:13:1 worden tussen de woorden “salaristoelage(n)” en “Het gaat” de woorden “en op opbouw van het IKB.” toegevoegd.
  • W.
    In artikel 7:13:2 lid 1 worden tussen de woorden “in artikel 7:3” en “indien” de woorden “en de opbouw van het IKB, bedoeld in artikel 3:28, worden gestaakt,” toegevoegd.
    Artikel 7:13:2 lid 2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 2.
      De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB vinden wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het lid 1.
  • De toelichting op artikel 7:13:2 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling
    Zowel artikel 7:13:2 als artikel 7:14 bevatten de sancties op overtreding van de verplichtingen als genoemd in artikel 7:10, 7:11 en 7:12, alsmede de conclusies die uit het onderzoek als bedoeld in artikel 7:12 getrokken kunnen worden. De in deze artikelen beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in dat artikel 7:13:2 en 7:14 ook tussentijds kunnen worden toegepast. Wanneer de situatie weer hersteld is, wordt de betaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB weer gestart.
    Artikel 7:13:2 ziet op de verplichtingen die aan de ambtenaar zijn opgelegd in artikel 7:10 en 7:12. Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van artikel 7:11 aan de ambtenaar zijn opgelegd.
    Artikel 7:13:2 sanctioneert allereerst de weigering de benodigde informatie te verstrekken. De andere sancties van artikel 7:13:2 betreffen gedrag van de ambtenaar, waarbij de arbo-dienst een rol speelt in de beoordeling van dat gedrag.
    De sancties op de overtredingen die genoemd zijn, zijn imperatief: de betaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB worden gestaakt wanneer bijvoorbeeld de ambtenaar nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of zich niet houdt aan voorschriften van behandelende geneeskundigen.
    Als de ambtenaar geen verwijt gemaakt kan worden op grond van zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB wel plaats. De gemeente moet zich voor het besluit om de salarisbetaling te staken dus vergewissen van de geestestoestand van de ambtenaar.
  • X.
    Artikel 7:14 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
    • 1.
      De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.
    • 2.
      De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, en de opbouw van het IKB bedoeld in artikel 3:28, worden gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar: 
      • a.
        weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten; 
      • b.
        weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11 lid 1, onderdeel b;
      • c.
        weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11 lid 2 verplicht is.
    • 3.
      De doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), en de opbouw van het IKB, bedoeld in lid 2, vinden wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het lid 2. 
  • In de toelichting op artikel 7:14 worden in de eerste alinea tussen de woorden “salaristoelage(n)” en “weer opgestart.” de woorden “en de opbouw van het IKB” toegevoegd.
    De toelichting op artikel 7:14 lid 3 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    Lid 3
    Als de ambtenaar, bedoeld in lid 2, geen verwijt gemaakt kan worden op grond van zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB wel plaats. De gemeente moet zich voor het besluit om de betaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) en de opbouw van het IKB te staken dus vergewissen van de geestestoestand van de ambtenaar.
  • IJ.
    In de algemene toelichting op artikel 7:16 worden in de laatste alinea tussen de woorden ”salaristoelage(n)” en “te staken,” de woorden “en de opbouw van het IKB” toegevoegd.
  • Z.
    In artikel 10d:2 sub worden de woorden “de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering” vervangen door: “het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a en b”.
  • AA.
    In artikel 18:1:1 lid 1, sub f worden de woorden “de aanspraak op de vakantieuitkering” vervangen door: “8%”.

Bijlage 1 bij LOGA-brief ECWGO/U201601499

Aanpassing CAR-UWO aan nieuwe collectieve zorgverzekering

  • A.
    In de toelichting op artikel 7:24 worden de woorden “met IZA Zorgverzekeraar NV en Zilveren Kruis Achmea voor de periode 1 januari 2013 tot 1 januari 2016, dat optioneel 3 keer met 1 jaar” vervangen door “met CZ, IZA en Menzis voor de periode van 1 januari 2017 tot 1 januari 2020, dat optioneel één keer met één jaar”.
  • B.
    Artikel 3:25 lid 1 wordt gewijzigd en komt te luiden:
    • 1.
      De ambtenaar heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten als hij één van de volgende aanvullende zorgverzekeringen heeft: Extra Zorg 3 of 4 bij IZA, Plus Collectief of Top Collectief bij CZ, Collectief Aanvullend 3 of 4 bij Menzis.

Bijlage bij ledenbrief ECCVA/U201700032

Bijlage CARUWO teksten

A. Aan artikel 1:2:1 wordt lid 5 toegevoegd en deze komt te luiden:

5. De ambtenaar, bedoeld in de leden 2, 3 of 4 van dit artikel, heeft recht op:

a. 8% vakantietoelage, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65 bij een volledig dienstverband, en

b. 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 33,33 bij een volledig dienstverband, en

c. 0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw geldende salaris.

De toelichting op artikel 1:2:1 lid 5 komt te luiden:

De ambtenaren die vallen onder de leden 2, 3 en 4 van dit artikel zijn de enige medewerkers waarvoor nog een vakantietoelage geldt. Deze 8% is pensioengevend.

De 1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris, was tot 1 januari 2017 de levensloopregeling geregeld in artikel 6a:7 lid 1. Deze 1,5% is pensioengevend.

De 0,8% van het in de maand van opbouw geldende salaris, was tot 1 januari 2017 het bovenwettelijk verlof van 14,4 uren geregeld in artikel 6:2 lid 1. Deze 0,8% is niet pensioengevend.

Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk zijn uitbetaald dan worden de in de percentages in die maand berekend op basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde salaristoelage(n).

Indien in een maand het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedeeltelijk zijn uitbetaald op grond van artikel 7:3 lid 2 tot en met 4 dan worden, in afwijking van voorgaande volzin, de percentages in die maand berekend op basis van het volledige salaris en toegekende salaristoelage(n).

Uitbetaling vindt plaats bij de maandelijkse salarisbetaling.

B. Artikel 2:5:4 lid 2 wordt geschrapt, onder vernummering van lid 3 in lid 2.

De toelichting op artikel 2:5:4 wordt gewijzigd en komt te luiden:

Met de oproepcontractant wordt een contract aangegaan voor minimaal 15 uur per maand. Voor die uren bestaat er dan ook een loonbetalingsverplichting, ook als de oproepcontractant ziek is. Aangezien hoofdstuk 7 per definitie van toepassing is (de CAR/UWO is namelijk van toepassing), hoeft deze loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte niet meer expliciet te worden opgenomen. De berekeningsbasis van de ziekte-uitkering wordt gevormd door het inkomen dat de oproepkracht gedurende het laatste kwartaal genoot.

De oproepcontractant heeft een IKB conform de regeling in paragraaf 5 van hoofdstuk 3.