Officiele publicatie

Financiële verordening 2016 Neerijnen

De raad van de gemeente Neerijnen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 september 2015;

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de Financiële verordening Neerijnen 2016:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -
    inkomsten: totaal van de baten voor onttrekking reserves;
  • -
    uitgaven: totale lasten voor dotatie aan reserves;
  • -
    netto schuld: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen die niet zijn ingezet voor de publieke taak. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende
  • -
    schulden, crediteuren en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen die niet zijn ingezet voor de publieke taak wordt verstaan het totaal van langlopende uitzettingen, vorderingen, liquide middelen en overlopende activa;

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programma-indeling

1.

Voor de programma-indeling volgen we de programma's zoals die in de BBV worden voorgesteld.

2.

De raad stelt op basis van de door het college aan de programma’s toegewezen producten de onderverdeling van de programma’s in beleidsdoelstellingen vast.

3.

De raad stelt conform de BBV eisen per programma relevante indicatoren vast voor het meten van en het afleggen van verantwoording over de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid.

4.

De raad stelt vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen in de begroting en rekening kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

1.

Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en baten van het bestaand beleid per product weergegeven (nieuw beleid staat in aparte paragraaf) en bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per product weergegeven.

2.

Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het krediet in het lopende boekjaar weergegeven.

3.

Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming en de investeringen.

4.

In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven.

Artikel 4. Autorisatie begroting en investeringskredieten en begrotingswijzigingen

1.

De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

2.

Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

3.

Bij (aanpassing van) bestaand beleid (geautoriseerde budgetten en investeringskredieten) zullen de voorstellen via de tussentijdse rapportages aan de raad worden voorgelegd en bij nieuw beleid via een afzonderlijk raadsvoorstel, zoals ook vermeld in bijlage 1 “Financiële randvoorwaarden gemeente Neerijnen 2013 bij deze verordening. Financiële consequenties zullen door de gemeenteraad worden gewogen bij de integrale afwegingsmomenten (voorjaarsnota en begroting). Indien er sprake is van een nog niet geautoriseerde investering groter dan € 500.000,-, informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente.

Artikel 5. Tussentijdse rapportage

1.

Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste 3 maanden (per 1-4) en de eerste 8 maanden (per 1-9) van het lopende boekjaar.

2.

De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de uitvoering en de bijstelling van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:

  • a.
    de baten en de lasten per programma;
  • b.
    het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen;
  • c.
    het totale saldo van de baten en de lasten volgend uit de onderdelen a en b;
  • d.
    de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma; en
  • e.
    het resultaat, volgend uit de onderdelen c en d, alsmede de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten.
2.

In de tussenrapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en de lasten van prioriteiten en investeringskredieten in de begroting groter dan € 15.000 toegelicht.

Artikel 6 Kaders begroting

1.

Het college biedt aan de raad een voorjaarsnota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota vast.

2.

In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen.

Artikel 7. Informatieplicht

Het college besluit niet over:

  • a.
    de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 500.000,-;
  • b.
    het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 100.000,--; en
  • c.
    het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen,

dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

Artikel 8. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3. Financieel beleid

Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa

1.

Activa met economisch nut en een verkrijgingsprijs van minder dan € 5.000,-- worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.

2.

Materiële vaste activa met een meerjarig maatschappelijk nut van meer dan € 10.000,-- worden onder aftrek van bijdragen van derden geactiveerd, tenzij de raad beslist hiervan af te wijken.

3.

Materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in bijlage 2 afschrijvingsbeleid bij deze verordening. De in de bijlage bedoelde termijnen zijn de maximale afschrijvingstermijnen. Hiervan kan naar beneden worden afgeweken.

4.

Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

5.

Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief worden lineair in 5 jaar afgeschreven.

6.

Een saldo voor agio of disagio wordt direct ten laste van de exploitatie gebracht.

7.

De eerste afschrijving vindt plaats in het eerste jaar dat volgt op het jaar van gereedkomen van de vaste activa.

Artikel 10. “Voorziening” voor openstaande vorderingen[1.]

Voor de vorderingen wordt een “voorziening” wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen of op basis van historisch percentage van oninbaarheid.

[1.] Deze voorziening mag niet bij staat D worden opgenomen en is daarom geen echte voorziening.

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

1.

Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandeld:

  • a.
    de vorming en besteding van reserves;
  • b.
    de vorming en besteding van voorzieningen; en
  • c.
    de rentetoerekening aan reserves en voorzieningen.
2.

Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:

  • a.
    het specifieke doel van de reserve;
  • b.
    de voeding van de reserve;
  • c.
    de maximale hoogte van de reserve; en
  • d.
    de maximale looptijd.
3.

Indien geconstateerd wordt dat een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen niet heeft geleid tot een investering, wordt een (apart) raadsvoorstel gemaakt om de bestemmingsreserve vrij te laten vallen en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.

Artikel 12. Kostprijsberekening

1.

Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van goederen, werken en diensten van de gemeente, die worden geleverd aan derden, wordt een systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden naast de directe kosten, ook de indirecte kosten betrokken, die rechtstreeks samenhangen met de door de gemeente verleende diensten. Voor een berekening van de loonkosten wordt gebruik gemaakt van de DAR-tarieven.

2.

Bij de kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa en voor rioolheffing en afvalstoffenheffing de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de kosten van het kwijtscheldingsbeleid.

3.

Voor de inzet van materiële activa kunnen naast directe kosten, indirecte kosten en afschrijvingskosten, de rente voor de financiering van het actief worden toegerekend. Deze rente is een vergoeding voor de inzet van vreemd vermogen en van eigen vermogen. De rentepercentages voor deze vergoeding worden bij de behandeling van de begroting vastgesteld.

Artikel 13. Prijzen economische activiteiten

1.

Voor de levering van goederen, diensten of werken aan derden en met welke bijbehorende activiteiten de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Voor een berekening van de loonkosten wordt gebruik gemaakt van de DAR-tarieven. Bij afwijking doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd.

2.

Bij het verstrekken van leningen of garanties aan derden brengt de gemeente de geraamde integrale kosten in rekening. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of garantie wordt gemotiveerd.

3.

Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan derden gaat het college uit van een vergoeding van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

4.

Raadbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als sprake is van:

  • a.
    leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;
  • b.
    een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;
  • c.
    een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;
  • d.
    een bevoordeling van sociale werkplaatsen;
  • e.
    een bevoordeling van onderwijsinstellingen;
  • f.
    een bevoordeling van publieke media-instellingen; en
  • g.
    een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

1.

Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing, lijkbezorgingsrechten en leges.

2.

Periodiek wordt aan de raad een nota prijzen voor huur, pacht of verkoop grond voorgelegd door het college. Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en erfpachten ten opzichte van de kaders uit de nota vooraf een besluit voor aan de raad, tenzij het gaat om het doorvoeren van een nieuwe rijksregeling, inflatiecorrectie, ophogen tot marktconforme tarieven of btw-verhogingen.

Artikel 15. Financieringsfunctie

1.

Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

  • a.
    volgen van de wettelijke voorschriften uit de wet Fido, de regeling Schatkistbankieren en de europese staatssteunregels van de VWEU (verdag betreffende de werking van de Europese Unie);
  • b.
    voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en
  • c.
    er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.
2.

Het college informeert de raad vooraf als de wettelijke kasgeldlimiet, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet financiering decentrale overheden, of de wettelijke renterisiconorm, bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet financiering decentrale overheden, dreigt te worden overschreden.

3.

Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden en uitsluitend op de voorwaarde dat:

  • a.
    vooraf de zienswijze wordt gevraagd van de gemeenteraad als het belang uitgaat boven de € 250.000,-

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Artikel 16. Lokale heffingen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college een paragraaf lokale heffingen op conform de verplichte onderdelen op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 17. Financiering

In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.
    de kasgeldlimiet;
  • b.
    de schulden met een looptijd korter dan een jaar en het verschuldigde rentepercentage;
  • c.
    de schulden met een looptijd langer dan een jaar en het verschuldigde rentepercentage;

Artikel 18. Weerstandsvermogen en risicobeheer

1.

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheer op conform het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

2.

Voor het in beeld brengen van de weerstandscapaciteit van de gemeente wordt beoordeeld of de gemeente bij een risicoscenario de schuldverplichtingen in de toekomst kan blijven nakomen zonder dat de uitgaven aan en de investeringen in noodzakelijke publieke voorzieningen in de knel komen.

Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen

1.

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.
    de voortgang van het geplande onderhoud;
  • b.
    de omvang van het achterstallig onderhoud;
  • c.
    inzicht in totale lasten kapitaalgoederen.
2.

Het college biedt periodiek aan de raad de volgende onderhoudsplannen aan:

  • Onderhoudsplan wegen (eens in de 4 jaar). Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor wegen.
  • Water- en Riolering plan, (WRP),(eens in de 5 jaar). Het plan geeft het kader weer voor het niveau van de gemeentelijke watertaken, het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen.
  • Onderhoudsplan gebouwen (jaarlijkse actualisatie middels de position paper voorzieningen). Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen.
  • Beheerplan openbare verlichting (eens in de 4 jaar). Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten van het gemeentelijk openbare verlichtingsareaal.
  • Beheerplan openbaar groen (eens in de 4 jaar). Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan het openbaar groen.

Artikel 20. Bedrijfsvoering

In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.
    de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten;
  • b.
    de kosten van inhuur derden;
  • c.
    de huisvestingskosten;
  • d.
    de automatiseringskosten;

Artikel 21. Verbonden partijen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de paragraaf verbonden partijen op conform de verplichte onderdelen van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 22. Grondbeleid

1.

In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op conform het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

2.

Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de Nota Grondbeleid worden de kaders door de gemeenteraad voor de uitvoering van het ruimtelijk beleid vastgesteld.

Bij actualisatie van de nota worden ook de aanbevelingen uit het Rekenkamerrapport 2015 meegenomen. In de nota dient o.a. te worden aangegeven:

  • wat de gemeente wil bereiken (maatschappelijk effect en doelen);
  • wat de gemeente daarvoor gaat doen en in welke mate daarvoor actief beleid en eigen initiatief in de verschillende projectfasen wenselijk zijn (activiteiten);
  • op welke wijze de beschikbare instrumenten ingezet worden (afwegingskader);
  • hoe wordt omgegaan met de aanwezige risico’s (berekeningswijze risicoreserve algemeen).
3.

Periodiek wordt een nota spelregels betreffende winst- en verliesneming en afsluiten grondexploitaties opgesteld.

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 23. Administratie

1.

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.
    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen;
  • b.
    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa met economisch en maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen, schulden, contracten;
  • c.
    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;
  • d.
    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;
  • e.
    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en
  • f.
    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.
2.

Onder administratie wordt verstaan het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

Artikel 24. Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  • a.
    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;
  • b.
    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;
  • c.
    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;
  • d.
    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;
  • e.
    de te maken afspraken met de teams over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;
  • f.
    de te maken afspraken met externe organisaties waaraan taken zijn uitbesteed en college ook verantwoording over af moet leggen;
  • g.
    de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de producten van de productenraming en de productenrealisatie;
  • h.
    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten (zie ook gemeentewet 160 lid e);
  • i.
    de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en
  • j.
    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 25. Interne controle

1.

Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

2.

Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen (grond en gebouwen) en bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de 5 jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

De Financiële Verordening 2009 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt. De financiële verordening 2016 is van toepassing vanaf de jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel

1.

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.

2.

Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening 2016 Neerijnen.

Bijlagen:

1.

Financiële randvoorwaarden gemeente Neerijnen 2013

2.

Afschrijvingsbeleid

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 26 november 2015.
De voorzitter,
De griffier,

Bijlage Financiële randvoorwaarden gemeente Neerijnen bij artikel 4

vastgesteld in de raad van 7 februari 2013 (zaak 15757-566)

  • 1.
    De (meerjaren)begroting:
    • a.
      Er zijn twee momenten in het jaar waarbij de (stand van de) begroting door de gemeenteraad integraal wordt besproken. In het voorjaar bij het vaststellen van de voorjaarsnota en in het najaar bij de behandeling van de begroting zelf.
    • b.
      Alle (ambtelijke) voorstellen buiten deze momenten zullen door het college van B & W van passende dekking worden voorzien (zie ook punt 3). Bij (aanpassing van) bestaand beleid zullen de voorstellen via de tussentijdse rapportages aan de raad worden voorgelegd en bij nieuw beleid via een afzonderlijk raadsvoorstel. Financiële consequenties zullen door de gemeenteraad worden gewogen bij de integrale afwegingsmomenten (voorjaarsnota en begroting).
  • 2.
    De (meerjaren)begroting dient structureel sluitend te zijn. Dit betekent:
    • a.
      Structurele middelen mogen structureel of incidenteel (eenmalig) worden ingezet.
    • b.
      Incidentele middelen mogen uitsluitend incidenteel worden benut.
    • c.
      Er worden geen structurele lasten in de begroting opgenomen zonder structurele dekking.
  • 3.
    Financiële mee- en tegenvallers:
    • a.
      Tegenvallers in de beleidsmatige sfeer worden in principe opgevangen binnen het betreffende programma, bijvoorbeeld door het faseren van nieuw beleid en/ of te snijden in bestaand beleid (nieuw voor oud).
    • b.
      Tegenvallers in de bedrijfsvoering worden in principe opgevangen binnen de bedrijfsvoering1.
    • c.
      Incidentele onvoorziene tegenvallers die de normale exploitatie overstijgen, kortom waarvoor niet is begroot, worden gedekt uit de post onvoorzien en als deze niet toereikend is uit de algemene reserve.
    • d.
      Als tegenvallers structureel worden dienen deze te worden opgenomen in de exploitatiebegroting.
    • e.
      Meevallers, voor zover niet nodig ter compensatie van tegenvallers, worden betrokken bij de integrale afweging en vallen in principe vrij ten gunste van de algemene dienst.
  • 4.
    Budget - beschikbaar voor een bepaald beleidsterrein - dat niet is uitgegeven gedurende een bepaald jaar mag worden overgeheveld naar het opeenvolgende boekjaar. Het al dan niet overhevelen van budgetten wordt besloten door de raad via de resultaatbestemming van de jaarrekening. De budgetoverhevelingen inclusief toelichting wordt als bijlage bij het desbetreffende raadsvoorstel gevoegd.
  • 5.
    Bij decentralisatie van taken naar onze gemeente is het uitgangspunt dat maximaal de overgehevelde middelen beschikbaar worden gesteld en geen (extra) gemeentelijke middelen.
  • 6.
    In de begroting wordt niet voorgesorteerd op uitkomsten van aanbestedings-trajecten. Eventuele risico’s worden opgenomen in de risicoparagraaf.
  • 7.
    Reserves en voorzieningen.
    • a.
      Het beleid t.a.v. reserves en voorzieningen ligt vast in de gelijknamige nota.
    • b.
      Er is een algemene reserve en een reserve bouwgrond. Deze dienen mede als buffer voor het opvangen van risico’s en onvoorziene tegenvallers.
    • c.
      Aan alle voorzieningen dient een gedegen beheersplan aan ten grondslag te liggen.
    • d.
      De vorming van een reserve is aan de raad. Middels een raadsvoorstel worden de omvang en de bestedingsmogelijkheden vastgelegd.
  • 8.
    Lokale lasten/ heffingen.
    • a.
      de OZB tarieven en leges worden slechts verhoogd met het prijsindexcijfer zoals deze in de juni-circulaire van de algemene uitkering is opgenomen, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om met meer dan dit indexcijfer te verhogen. De tarieven zijn dan ook altijd het uiterste middel om inkomsten te verhogen.
    • b.
      Voor het rioolrecht geldt het systeem van gesloten financiering met duurzame (100%) kostendekkendheid gebaseerd op de meest recent vastgestelde Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Er wordt gebruik gemaakt van een voorziening voor het spaardeel en een reserve voor de egalisatie op basis van nacalculatie.
  • 9.
    Weerstandsvermogen. Er dient een gezond weerstandsvermogen te zijn om toekomstige risico’s te kunnen afdekken; er dient evenwicht te bestaan tussen risico’s en dekking.
  • 10.
    Financiering. De treasury-activiteiten zijn gericht op de uitoefening van de publieke taak. Ze dienen niet gericht te zijn op het genereren van inkomsten door het lopen van een overmatig renterisico. De activiteiten moeten dan ook altijd passen binnen de normen gesteld in de wet FIDO.
  • 11.
    Onderhoud kapitaalgoederen.
    • a.
      hiervoor dient een actueel beleids/ beheersplan beschikbaar te zijn met een planningshorizon voor minimaal vier jaar.
    • b.
      Voor onderhoud is een minimaal vastgesteld kwaliteitsniveau vastgesteld.
  • 12.
    Verbonden partijen: de gemeente neemt alleen deel in externe organisaties, indien daarmee aantoonbaar een gemeentelijk belang wordt gediend.
  • 13.
    Grondbeleid. Uitgangspunten:
    • a.
      het realiseren van de ruimtelijke doelstellingen op het gebied van sociaal beleid, volkshuisvesting, economie, onderwijshuisvesting
    • b.
      Het genereren van financiële middelen ter dekking van de aan plannen toe te rekenen kosten
    • c.
      Zoveel mogelijk risico’s beperken op grond van overeenkomsten en het aanbrengen van prioriteiten bij niet rendabele projecten.

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 9

 

 

 

Investeringsobject

 

 

Afschrijvingsmethode

 

Afschrijvingstermijn

 

  • a

 

Gronden

Gronden onderdeel van actief

 

 

n.v.t.

 

 

niet afschrijven

 

  • b

Terreinen

Speelplaatsen/terreinen

Begraafplaatsen

Reconstructie/uitbreiding begraafplaatsen

 

lineair

annuïtair

annuïtair

 

20 jaar

40 jaar

30 jaar

 

  • c

 

 

 

Gebouwen

Nieuwbouw

Aankoop bestaande bouw

Voorzieningen/installaties (CV, lift etc.)

Verbouw/restauratie/renovatie

Uitbreiding

Schoolgebouw

Garagebox

Gymnastieklokaal

Bouw noodlokaal

Monumentale gebouwen

 

lineair

lineair

lineair

lineair

lineair

lineair

lineair

lineair

lineair

lineair

 

40 jaar

nader te bepalen

15 jaar

20 – 30 jaar

40 jaar

40 jaar

50 jaar

40 jaar

15 jaar

50 jaar

  • d

Sportcomplex

Aanleg sportvelden

Renovatie sportvelden

Aanleg/renovatie gravelbanen

Was/kleedruimte

 

lineair

lineair

lineair

lineair

 

30 jaar

10 – 20 jaar

15 jaar

10 – 20 jaar

 

  • e

Wegen- en Waterbouw

Aanleg

Reconstructie

Herinrichting

Openbare verlichting

Verkeersregelinstallaties

Straatmeubilair

Veerpont

 

lineair

lineair

lineair

lineair

lineair

lineair

lineair

 

30 jaar

25 jaar

30 jaar

20 – 30 jaar

10 jaar

10 jaar

25 jaar

 

  • f

Riolering

Investeringen uit het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP)

 

annuïtair

 

Volgens GRP

 

  • g

Groen/Plantsoenen

Aanleg

Herinrichting/renovatie

 

lineair

lineair

 

50 jaar

25 jaar

 

  • h

Inventaris

Meubilair

Technische Installaties

Communicatiemiddelen

 

lineair

lineair

lineair

 

15 jaar

10 jaar

10 jaar

 

  • i

 

Bedrijfsmiddelen

Klein gereedschap

 

lineair

 

 

 

in exploitatie

  • j

Automatisering

Software

Hardware

 

lineair

lineair

 

5 jaar

3 – 5 jaar

Toelichting op de artikelen

Artikel 1. Begripsbepaling

De begrippen netto schuld en inkomsten zijn gedefinieerd. Hiervoor zijn de definities gevolgd die de Vereniging van Nederlandse Gemeenten toepast voor het jaarlijkse overzicht met kengetallen over de financiële positie van gemeenten.

 

Artikel 2. Programma-indeling

Op grond van artikel 189 Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 Gemeentewet besluiten nemen tot wijziging van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (derde lid artikel 189 Gemeentewet).

De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Er is voor gekozen een budget voor een samenstel van activiteiten beschikbaar te stellen. Op grond van de BBV kan een gemeente of provincie de baten en lasten van een programma onderverdelen in baten en lasten voor beleidsdoelstellingen. De programma-indeling wordt conform de BBV opgesteld. De raad stelt op basis van de door het college aan de programma’s toegewezen producten de onderverdeling van de programma’s in beleidsdoelstellingen vast. De raad stelt conform de BBV eisen per programma relevante indicatoren vast voor het meten van en het afleggen van verantwoording over de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid.

Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd. Het vierde lid van artikel 2 van de financiële verordening bepaalt dat de raad bij aanvang een nieuwe raadsperiode kan aangeven welke paragrafen hij nog meer wenst. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een paragraaf subsidies of een paragraaf duurzaamheid.

 

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. Het artikel schrijft een autorisatieniveau op het niveau van beleidsdoelstellingen voor en bevat de bepaling dat de lasten en baten onder de programma’s in de begroting per beleidsdoelstelling worden weergegeven. Door deze bepaling is het bijvoegen van de productenraming bij de begroting en de productrealisatie bij het jaarverslag niet meer nodig.

In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. In het derde lid wordt dit geregeld voor de jaarrekening.

Het derde bepaalt dat in aanvulling op het bepaalde in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten de gevolgen van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt.

 

Artikel 4. Autorisatie begroting en investeringskredieten

Artikel 4 van de financiële verordening bevat nadere regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Autorisatie van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van programma's (eerste lid). Naast lopende uitgaven doet een gemeenten investeringen. Ook uitgaven voor investeringen moeten worden geautoriseerd – denk hierbij ook aan de grondexploitatie. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen (tweede lid). Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan.

Er zijn twee momenten in het jaar waarbij de (stand van de) begroting door de gemeenteraad integraal wordt besproken. In het voorjaar bij het vaststellen van de voorjaarsnota en in het najaar bij de behandeling van de begroting zelf. Bij (aanpassing van) bestaand beleid (geautoriseerde budgetten en investeringskredieten) zullen de voorstellen via de tussentijdse rapportages aan de raad worden voorgelegd en bij nieuw beleid via een afzonderlijk raadsvoorstel. Daarbij draagt dit lid aan het college op bij grote investeringen aan te geven wat het effect is op de schuldpositie van de gemeente.

 

Artikel 5. Tussentijdse rapportage

Een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad zijn de tussenrapportages. Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid. Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage, waarbij informatie over de grondexploitatie valt onder de investeringskredieten. Het derde lid bepaalt welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het college in de tussenrapportages moet toelichten. Deze afwijking kunnen ook als een percentage worden gedefinieerd.

 

Artikel 6 Kaders begroting

Dit artikel biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 Gemeentewet en het BBV.

In dit lid wordt bepaald dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen van de begroting een nota vaststelt waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Deze systematiek wordt in veel gemeenten toegepast en deze nota draagt vaak de naam kadernota of voorjaarsnota.

Artikel 8 van het BBV zegt dat het bedrag voor onvoorzien moet zijn opgenomen in het programmaplan. In het tweede lid wordt een nadere invulling aan deze wettelijke verplichtingen gegeven door de omvang van het bedrag voor onvoorzien vast te leggen. De meeste gemeenten nemen een bedrag voor onvoorzien op onder de algemene dekkingsmiddelen.

 

Artikel 7. Informatieplicht

In artikel 7 van de financiële verordening is een nadere invulling van de informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet. Dat artikel verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken indien de raad daar om verzoekt of indien de uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente. In dit artikel verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden. De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht in andere gevallen. Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de raad over wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college kenbaar te maken.

 

Artikel 8. EMU-saldo

Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze aandeel hebben in plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt doorvertaald. Maar het kan ook zijn dat de overschrijding niet erg is. Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken.

In het artikel is opgenomen dat het college de raad informeert bij een overschrijding van het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Artikel 9. Waardering & afschrijving vaste activa

In het tweede lid, onder a, van artikel 212 Gemeentewet is opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 9 invulling gegeven. Voor de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar een bijlage. In de bijlage zijn naast de methodiek de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën materiële vaste activa met economisch en maatschappelijk nut opgenomen. Optioneel is het stellen van een maximale afschrijvingstermijn. Van een maximale afschrijvingstermijn kan naar beneden worden afgeweken. Reden hiervoor is dat de economische levensduur van bijvoorbeeld nieuwe riolering langer is dan die van oude riolering. Door het opnemen van de maximale afschrijvingstermijn kan voor oude riolering een korte afschrijvingstermijn worden toegepast zonder hiervoor in de verordening een aparte bepaling op te nemen. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte levensduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast. In de verordening is er voor gekozen activa met maatschappelijk nut te activeren in plaats van deze meteen ten laste van de exploitatie te brengen.

 

Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen

Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. Vorderingen worden individueel beoordeeld op oninbaarheid of op basis van het historisch percentage van oninbaarheid.

 

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

Het eerste lid bepaalt dat het college eens in een nader aantal te bepalen jaar een nota over de reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen. Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht dat een toekomstige investering een beslag op het eigen vermogen gaat leggen. In het tweede lid zijn de voorwaarden voor een voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.

Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het gevaar dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het geheel geen investeringsvoornemen meer bestaan. Indien dit wordt geconstateerd, wordt een (apart) raadsvoorstel gemaakt waarin de bestemmingsreserve komt vrij te vallen.

 

Artikel 12. Kostprijsberekening

Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening in ieder geval bevat de grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten en heffingen. De grondslag voor de prijzen en tarieven vormt de opbouw van de kostprijs van de goederen en diensten waarvoor prijzen en heffingen in rekening worden gebracht. In artikel 13 van de verordening staan de kaders voor de bepaling van de kostprijzen van de gemeentelijke diensten die worden geleverd aan derden. Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de kostprijs bestaat uit de directe kosten en de indirecte kosten die direct met de dienst samenhangen. Het tweede lid bepaalt dat bij de rioolheffing en afvalstoffenheffing onder de kosten ook worden verstaan bijdragen aan voorzieningen, de compensabele BTW en de kosten van het kwijtscheldingsbeleid.

Het derde lid geeft aan dat in de kostprijs ook de kosten van de financiering van materiële activa moet worden meegenomen in de vorm van een rente over het eigen vermogen en over het vreemd vermogen. Kaders voor de kostprijzen staan voor heffingen, rechten en leges in artikel 229b Gemeentewet en voor prijzen in de artikelen 25i, 25j en 25m van de Mededingingswet.

 

Artikel 13. Prijzen economische activiteiten

Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreft. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met ander ondernemingen treedt. Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in dat tenminste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.

Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente (Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter. Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd.

 

Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 Gemeentewet). Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt. Een gemeenteraad die voor meer rechten en leges de tarieven jaarlijks wenst vast te stellen, kan het eerste lid met deze rechten en leges uitbreiden. Het betekent dat de bijbehorende verordening jaarlijks moet worden herzien. Eventueel kan overwogen worden om ook de verordening ‘kwijtschelding gemeentelijke belastingen’ jaarlijks te herzien.

Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 Gemeentewet, is een privaatrechtelijke besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college (eerste lid, letter e artikel 160 Gemeentewet), maar hebben wel invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de raad.

Het tweede lid bepaalt dat het college aan de raad eens in de vier jaar jaarlijks een nota aanbiedt met daarin de kaders voor de te hanteren prijzen, huren en tarieven voor erfpacht. De raad stelt deze nota vast.

Het derde lid bepaalt dat tussentijdse wijzigingen van besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen die afwijken van de kaders uit de nota vooraf ter besluitvorming aan de raad worden aangeboden, tenzij het gaat om het doorvoeren van een nieuwe rijksregeling, inflatiecorrectie, ophogen tot marktconforme tarieven of btw-verhogingen.

 

Artikel 15. Financieringsfunctie

Artikel 212 Gemeentewet bevat de bepaling dat de financiële verordening in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie bevat. Dit artikel geeft invulling aan deze plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders voor de financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 24.

In aanvulling op de regels uit de wet Financiering decentrale overheden en daaruit volgende besluiten en regelingen stelt het eerste lid een aantal aanvullende kaders. Zo mag geen gebruik worden gemaakt van financiële derivaten. Als in een gemeente wel gebruik mag worden gemaakt van financiële derivaten, dan moet deze bepaling uit de verordening worden weggelaten.

Het tweede lid bepaalt dat het college de raad informeert als de kasgeldlimiet of de renterisiconorm dreigt te worden overschreden. Artikel 4 respectievelijk 6 van de Wet financiering decentrale overheden (hierna: Wet Fido) geeft aan dat de toezichthouder (provincie) wordt geïnformeerd als de gemeente voor het derde achtereenvolgende kwartaal de kasgeldlimiet respectievelijk renterisiconorm overschrijdt en dat de gemeente aan de toezichthouder een plan voorlegt om weer binnen deze limiet te komen. Dit plan dient door de provincie goed gekeurd te worden. Indien hier niet aan wordt voldaan, kan de toezichthouder correctieve maatregelen treffen.

Gemeenten mogen alleen leningen en garanties verstrekken en financiële participaties aangaan voor het behartigen van een publiek belang (artikel 2 Wet Fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 Gemeentewet dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen.

Het derde lid draagt het college op bij het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal zo mogelijk zekerheden te bedingen om zo het financiële risico waaraan de gemeente bloot komt te staan te verminderen. Dit is zeker als het om grote bedragen gaat, iets om op te letten. Als instellingen bij een gemeente aankloppen voor een lening of garantiestelling dan hebben de banken er in de regel niet al te veel vertrouwen meer in. Ook is opgenomen dat het college van B&W bevoegd is leningen te verstrekken tot een maximum van €250.000,-- aan instellingen met een maatschappelijke doelstelling. Boven de € 250.000 zal de zienswijze van de Gemeenteraad gevraagd worden. Het verstrekken van leningen als bedoeld in dit artikel gaat om een vorm van instrumentering die met de uitvoering van de treasuryfunctie niets te maken heeft, maar die verband houdt met een ander beleidsonderwerp en tegen deze achtergrond in het kader van de wet FIDO wèl is toegestaan. Het verstrekken van geldleningen aan partijen die niet voldoen aan het criterium “instelling met een maatschappelijke doelstelling” is te allen tijde een bevoegdheid van de raad.

 

Paragrafen

Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten geeft in de artikelen 16 tot en met 21 aan wat er in de paragrafen lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en grondbeleid ten minste moet staan. In de financiële verordening kan de raad bepalen dat hij ook over aanvullende zaken in de paragrafen wil worden geïnformeerd.

Artikel 16. Lokale heffingen

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 10 welke informatie de paragraaf lokale heffingen in elk geval moet bevatten.

 

Artikel 17. Financiering

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 13 welke informatie de paragraaf financiering in elk geval moet bevatten. Er is opgenomen dat de raad in de paragraaf financiering ook wordt geïnformeerd over de opbouw van de korte en lange schuldpositie.

 

Artikel 18. Weerstandsvermogen & risicobeheersing

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 11 welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen in elk geval moet bevatten. Er is opgenomen dat de raad voor het vormen van een oordeel van de weerstandscapaciteit in deze paragraaf o.a. wordt geïnformeerd over de solvabiliteitsratio en de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner en de ontwikkeling van de netto schuldquote. In het tweede lid wordt aangegeven op welke wijze in beeld moet worden gebracht of de weerstandscapaciteit voldoende is. Hiervoor bestaan verschillende methoden.

 

Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 12 welke informatie de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in elk geval moet bevatten. Er is opgenomen dat de raad in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen ook wordt geïnformeerd over de voortgang van het geplande onderhoud en de omvang van het achterstallig onderhoud. De navolgende leden bevatten de bepaling dat het college tenminste eens in een nader bepaald aantal jaar de raad onderhoudsplannen aanbiedt over het onderhoud van de wegen, het water- en rioleringsplan, onderhoud gebouwen en beheerplannen van de openbare verlichting en het openbaar groen. Hiermee kan de raad de kaders voor het toekomstig onderhoudsniveau vaststellen.

 

Artikel 20. Bedrijfsvoering

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 14 welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering in elk geval moet bevatten. Er is opgenomen dat de raad in de paragraaf bedrijfsvoering ook wordt geïnformeerd over de kosten, de opbouw en het verloop van het personeelsbestand, de kosten inhuur derden, de huisvestingskosten en de automatiseringskosten.

 

Artikel 21. Verbonden partijen

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 15 welke informatie de paragraaf verbonden partijen in elk geval moet bevatten.

Artikel 22. Grondbeleid

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten staat in artikel 16 welke informatie de paragraaf grondbeleid in elk geval moet bevatten. Er is opgenomen dat de raad in de paragraaf grondbeleid ook wordt geïnformeerd over het verloop van de grondvoorraad en de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten.

Het tweede lid bepaalt dat het college eens in een nader bepaald aantal jaar aan de raad een nota grondbeleid aanbiedt. Met de nota kan de raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid vaststellen. In de Nota Grondbeleid zijn doelen geformuleerd, de organisatie en wijze van sturing, de vormen van grondbeleid en bijbehorende instrumentarium en de financiële- economische uitgangspunten. De doelen hebben bijvoorbeeld betrekking op woningbouwdoelstellingen maar ook op financiële doelstellingen zoals de ontwikkeling van het vermogen van het grondbedrijf. De organisatie en wijze van sturing heeft betrekking op de rolverdeling, verantwoording en op te leveren producten per fase. Mogelijke vormen van grondbeleid zijn actief Grondbeleid of faciliterend Grondbeleid en publiek-private samenwerking. Financieel-economische uitgangspunten hebben bijvoorbeeld betrekking op de gewenste ontwikkeling van het vermogen van het grondbedrijf, eventuele jaarlijkse bijdragen aan de algemene dienst en parameters zoals rente, inflatie en opbrengstenstijging. Ook de wijze van omgaan met risico's wordt in de Nota Grondbeleid op hoofdlijnen vastgesteld.

 

Artikel 23. Administratie

Onder artikel 24 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging er van moeten voldoen.

 

Artikel 24. Financiële organisatie

Artikel 25 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie, blijkt uit het advies van de Raad van State en het Nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 Gemeentewet.

Dit artikel geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand dat het college een organisatiebesluit en een financieringsstatuut vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de kostenverdeelsleutels voor de kostentoerekening vastlegt.

Bij het beleid en interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden.

Bij het beleid en interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen.

In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het om bijvoorbeeld het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden.

De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen en getrouwheid van de jaarrekening.

 

Artikel 25. Interne controle

De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Artikel 26 draagt het college op maatregelen te treffen opdat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn) verlopen. Het tweede lid bepaalt dat jaarlijks wordt gecontroleerd of de administratie van waardepapieren e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit. Het lid gebiedt daarbij dat eens in een nader aantal te bepalen jaar wordt gecontroleerd of de administratie van registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit. Advies is om deze laatste controle eens in de vier of vijf jaar uit te voeren.

 Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

Bij het inwerking treden van de nieuwe verordening moet de oude worden ingetrokken. Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en wordt tot slot de begroting voor het jaar t 1 vastgesteld. De nieuwe verordening is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar t en later. De oude verordening is ondanks het intrekken nog wel van toepassing op de jaarstukken van het begrotingsjaar t-1 en de begroting jaar t. Hiervoor is in artikel 27 een overgangsbepaling opgenomen.

 

Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel

Het verdient de voorkeur de nieuwe verordening in werking te laten treden op een datum voor het vaststellen van de voorjaarsnota en anders voor het vaststellen van de begroting van het jaar t 1.

Anders moet artikel 27 worden uitgebreid met een bepaling die voorziet in terugwerkende kracht, zodat de bepalingen uit de nieuwe verordening ook gelden voor de begroting voor het jaar t 1.

 

Vaststelling

Uitgaande stukken van de raad moeten door de burgemeester worden ondertekend (eerste lid artikel 75 Gemeentewet). De griffier moet de uitgaande stukken van de raad medeondertekenen (artikel 107c Gemeentewet).

Binnen twee weken na vaststelling door de raad moet het college de verordening aan gedeputeerde staten zenden (artikel 214 Gemeentewet). Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting van de financiële organisatie en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet (artikel 215 Gemeentewet).