Officiele publicatie

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Neerijnen houdende belastingregels voor staanplaatsen Verordening op de heffing en de invordering van staangeld 2016

De raad van de gemeente Neerijnen;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 november 2016;

Gelet op artikel 156, eerste en tweede lid, onderdeel h en artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a en b van de Gemeentewet;

Besluit :

  • a.
    Vast te stellen de Verordening op de heffing en de invordering van staangeld 2016

Verordening op de heffing en de invordering van staangeld 2016

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.
    standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten (artikel 1, onderdeel j, van de Wet op de huurtoeslag);
  • b.
    woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst (artikel 1, onderdeel l, van de Wet de huurtoeslag);
  • c.
    huurovereenkomst: de overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder van de standplaats met toebehoren, waarin de huurbepalingen voor de standplaats zijn geregeld;
  • d.
    maand: kalendermaand.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam 'staangeld' wordt een recht geheven voor het hebben van een standplaats voor een woonwagen, daaronder begrepen de diensten die met de standplaats verband houden. Het recht wordt tevens geheven voor de mogelijkheid tot het gebruik van voorzieningen die met een standplaats verband houden.

Artikel 3 Belastingplicht

Het recht als bedoeld in artikel 2 wordt geheven van degene die de standplaats heeft. Als degene die de standplaats heeft wordt aangemerkt de hoofdbewoner van de woonwagen. Wie als hoofdbewoner wordt aangemerkt wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

Artikel 4 Vrijstelling

Het recht als bedoeld in artikel 2 wordt niet geheven zolang voor de standplaats een huurovereenkomst geldt.

Artikel 5 Belastingtarieven

Het recht als bedoeld in artikel 2 bedraagt per maand: € 110,-

Artikel 6 Belastingtijdvak

Het belastingtijdvak loopt van 1 januari 2017 tot 1 januari 2018.

Artikel 7 Wijze van heffing

Het recht wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1.

Het recht als bedoeld in artikel 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2.

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, dan wel de vrijstelling genoemd in artikel 4 vervalt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat tijdvak verschuldigde recht als er in dat belastingtijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

3.

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, dan wel de vrijstelling genoemd in artikel 4 van toepassing wordt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat belastingtijdvak verschuldigde recht als er in dat belastingtijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 9 Termijnen van betaling

1

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twaalf maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt 14 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

2

In afwijking van het eerste lid kunnen de aanslagen in gevallen, waarbij de belastingplichtige aan de gemeente een automatische incasso heeft verstrekt, automatisch in termijnen worden voldaan. De eerste termijn vervalt daarbij op de laatste dag van de maand, die op de aanslag is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 10 Kwijtschelding

Bij de invordering van staangeld wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 11 Machtiging tot overdracht van bevoegdheden

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van de tarieven staangeld.

Artikel 12 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van staangeld.

Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel

1.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

2.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.

3.

Deze verordening wordt aangehaald als ' Verordening op de heffing en de invordering van staangeld 2016'.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2016
, voorzitter , griffier